>> Zo maak je een BI-zone

Op initiatief van ondernemers kunnen alle gemeenten in Nederland overgaan tot het instellen van een BGV-zone in een bepaald gebied. De gemeente zorgt voor de inning van de bijdrage van alle ondernemers in de BI-zone. Deze inkomsten komen ten goede aan de vereniging of stichting, die daarmee de afgesproken activiteiten uitvoert.


Bij het maken van een BI-zone zijn twee fasen te onderscheiden:

 

1. De informele fase:

In deze fase vindt er overleg plaats tussen de ondernemers onderling en tussen de ondernemers en de gemeente. Hierbij komen zaken als de beoogde BI-zone, de activiteiten, de benodigde middelen en de organisatie en uitvoering ter sprake. Wordt hierop besloten om de plannen door te zetten, dan richten de initiatiefnemende ondernemers een vereniging of stichting op die de activiteiten in de BVG-zone uit zal voeren.

 

2. De formele fase:

De uitkomsten van het overleg worden omgezet in een overeenkomst tussen vereniging/stichting en gemeente en een verordening. In die verordening staat genoemd:

 

-         welk gebied het betreft;

-         welke activiteiten;

-         welke ondernemers bijdrageplichtig zijn;

-         wat de hoogte is van de BI-heffing;

-         wat de naam is van de vereniging/stichting die de activiteiten uitvoert.

 

Wat verder van belang is:

De verordening dient te worden vastgesteld door de gemeenteraad, en treedt alleen in werking indien uit een draagvlakmeting blijkt dat er sprake is van voldoende draagvlak onder de ondernemers in de beoogde BI-zone. De vereniging/stichting zorgt voor de uitvoering van de afgesproken activiteiten en voor een jaarlijkse verantwoording hierover aan de gemeente en alle ondernemers in het gebied.

 

Wie meet het draagvlak?

De gemeente zorgt voor het draagvlakonderzoek waarbij alle ondernemers in het gebied de gelegenheid krijgen om zich voor of tegen de instelling van de BI-zone uit te spreken. Vervolgens wordt door het wetsvoorstel nauwkeurig bepaald wanneer voldoende draagvlak aanwezig is. Hiervoor is een dubbele meerderheid in het wetsvoorstel opgenomen. Dit houdt in dat tweederde van het aantal bijdrageplichtige ondernemers voor moet stemmen bij een minimale respons van de helft van het totale aantal bijdrageplichtige ondernemers (50 procent + 1) en van de WOZ-waarde.