|
Het rapport van de Taskforce (Her)ontwikkeling Bedrijventerreinen draagt de titel ‘Kansen voor kwaliteit – een ontwikkelingsstrategie voor bedrijventerreinen’. Het doet tien aanbevelingen om de herstructurering van bedrijventerreinen op de rit te krijgen. Deze aanbevelingen zijn:
1. Kies in het bedrijventerreinenbeleid voor een aanpak langs drie strategische lijnen:
- Een economische stadsvernieuwingsaanpak tot omstreeks 2020 voor een inhaalslag herstructurering bedrijventerreinen;
- Een proces van verzakelijking van de bedrijventerreinenmarkt;
- Een regionale aanpak;
2. Focus de aanpak en met name het financieel kader voor herstructurering voorlopig op een opgave van circa 15.800 hectare revitalisering en herprofilering over de periode tot 2020, en reken daarvoor voorlopig op een investeringsopgave van 6,35 miljard euro.
3. Kies verevening, hogere grondprijzen en collectieve middelen als dekkingsmiddel voor de inhaalslag in de herstructurering. Hou er bij een gelijke verdeling van de noodzakelijke, extra inzet van collectieve middelen over Rijk, provincies en gemeenten rekening mee dat dit een extra inzet van rijksmiddelen impliceert van circa 0,53 miljard euro over de periode tot 2020, uitgaande van een continuering van de huidige inzet (circa. 0,77 miljard euro tot 2020).
4. Maak heldere en harde afspraken met de provincies en de VNG over:
- een meer verplichtende regionale koers, met een strakkere planning en meer tempo in de herstructurering;
- een rol voor de provincies als ‘systeemverantwoordelijke’ instantie, die uiterlijk in 2010 moet leiden tot een adequaat systeem voor de planning en programmering, de uitvoering en het beheer van bedrijventerreinen;
- regionaal grondprijsbeleid, regionale verevening en regionale beheersafspraken (parkmanagement) op basis van het planologisch instrumentarium van de nieuwe Wro;
- de verdeling van de collectieve, financiële opgave tussen Rijk, provincies en gemeenten, waarbij het advies op dat punt als richtlijn kan dienen;
- de vorming van regionale ontwikkelingsbedrijven bedrijventerreinen (ROB-en);
- een in beginsel programmagerichte inzet van financiële middelen van Rijk en provincies;
- de rolverdeling tussen Rijk en provincies bij de inzet van algemene regels op grond van de nieuwe Wro met het oog op de kwalitatieve aspecten van de bedrijventerreinenplanning.
5. Richt een nationaal herstructureringsfonds op, naar analogie van het Groenfonds.
6. Pas op termijn de Grexwet en de kostensoortenlijst van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zodanig aan dat deze ook mogelijkheden bieden voor verevening bij private ontwikkeling van bedrijventerreinen.
7. Verschaf een wettelijke basis voor een zodanig ruime interpretatie van de moderniseringsbepaling van de Wro (art. 3.5) dat deze ook kan worden ingezet voor de modernisering van bedrijventerreinen.
8. Bevorder de totstandkoming van een selectieve vrijstelling van overdrachtsbelasting voor bedrijfsmatige vastgoedtransacties op nader aan te wijzen bedrijventerreinen en voor op bedrijventerreinen gerichte herstructureringsmaatschappijen, dit laatste naar analogie van de vrijstelling voor Wijkontwikkelingsmaatschappijen (WOM) in het kader van de stedelijke herstructurering. Doe vervolgens nader onderzoek naar de effectiviteit van verruiming van de mogelijkheden voor vervroegde en/of willekeurige afschrijving, aftrek van kosten van groot onderhoud, herinvesteringsreservevorming, investeringsaftrek, een gerichte investeringspremieregeling en groen beleggen.
9. Werk langs verschillende sporen (provinciaal-planologische sturing, voorwaarden aan financiële ondersteuning, Experimentenwet BGV-zones) naar een algemene invoering van geïntegreerd en duurzaam parkmanagement. Dring bij de gemeenten aan op brede steun voor en inbreng van (een deel van) de gebiedsgerelateerde OZB-inkomsten in BGV-zones. Overweeg op termijn bovendien een tussentijdse bijstelling van de BGV-wet om deze op overzienbare termijn en bij zoveel mogelijk bestaande bedrijventerreinen ingang te doen vinden.
10. Bevorder ruimtelijke functiemenging door een procedureel vereenvoudigde afweging van de omgevingskwaliteit in het kader van de Wro mogelijk te maken, dit als vervolg op de Interimwet stad-en-milieubenadering.
|